Groene vingers?

Posted on

Terwijl ik dit schrijf zit ik op de veranda; ‘the porch’ in het Engels. Een deel van het huis waar ik mijn halve masterscriptie aan heb gewijd en tevens een van mijn wensen voor mijn droomhuis. Helaas is deze veranda niet overdekt, en er staat geen schommelstoel op, maar het is zeker een leuk begin. Op het moment bevind ik me in Cowichan Valley; acht kilometer van het plaatsje Lake Cowichan op Vancouver Island. Door deze vallei liep vroeger een rivier; iets wat ik aan de lijven heb mogen ondervinden terwijl ik een stukje grond klaar moest maken voor het verbouwen van maïs; iedere schep grond moet ik eerst een paar keer zeven om de tientallen kiezels en grotere stenen er uit te filteren…pas daarna kunnen we iets planten.

Om de boerderij heen ligt een bos, en om de boerderij staan grote hekken, want er leven edelherten, poema’s en beren in dit bos. Gelukkig hebben ze hier ook twee waakhonden (en acht kleine, blaffende mormels waar ik het verder niet over wil hebben): een herderspup genaamd Whiskey, en een grotere, wat oudere, meer ervaren Golden Retriever, genaamd Toby. Als we Rose, onze host, mogen geloven, heeft Toby gevochten met een otter (die hier de vijver leeg kwam roven), eet hij baby hertjes, en blaft hij naar beren alsof hij er voor is aangenomen. Gevaarlijke hond, zou je denken…maar het enige dat ik Toby tot nu toe heb zien eten is een drol, en verder komt hij vol trots aanlopen met iedere ‘stok’ die op zijn pad ligt (vandaag was dat een slappe rietstengel en even later een stuk spaanplaat die Whiskey van de hordeur had gerukt).
Gisteren heb ik mijn eerste beer gezien: Freya en ik waren per fiets op weg naar Lake Cowichan, maar het werd een beetje te warm onderweg. We stopten even om onze truien in de tas te proppen, toen een van ons zei: “Ehm, wat staat daar op het pad?”. Het duurde even voordat ik doorhad waar ik naar keek; ik dacht eerst dat dit kwam omdat ik mijn bril niet op had, maar het was meer dat mijn brein het principe ‘beer’ niet zo goed kon plaatsen. Het leek eerder op zwarte pluizenbaal die te hoog op de poten stond; te groot voor een hond, te pluizig voor een mens die een hond nadoet, te lomp voor een poema. Pas toen Freya mijn arm pakte en enthousiast, maar niet te hard, “Oh mijn god, het is een berenjong!” piepte, snapte ik wat ik zag. Het was inderdaad een berenjong, of meer; een berenpuber. Het beest was te groot om nog een schattige baby-beer te zijn, maar te klein om als volwassen beer te worden bestempeld. Terwijl wij daar stonden, en de berenpuber het fietspad over stak, keek hij nog even half geïnteresseerd onze kant op voordat hij de bosjes in slofte; zich waarschijnlijk afvragend wat voor debielen daar op het pad stonden met een zwarte en blauwe retard-fietshelm op.
Omdat we bang waren dat zijn moeder misschien nog in de buurt zou zijn, bleven we nog even wachten, en zijn we daarna luid zingend en met wat keien in onze handen – om te gooien in geval van nood-  verder gefietst.
Wat betreft andere wilde dieren hier: ze hebben veel vliegjes die je heel hard bijten. Ze hebben hier ook veel slangen; ongevaarlijke, kleine, bange slangetjes die ik echt ontzettend schattig vind…met hun mini tongetjes en hun kraaloogjes. Ook heeft onze host een paar bijenkorven met bijen (de honing is heel lekker) en er lopen hier enorme mieren met enorme kaken. Verder is het hier best veilig.
Eergisteren moest ik een paar bloemen planten; het stoorde me een beetje omdat ik het niet voor elkaar kreeg om de plantjes uit het plastic bakje te krijgen zonder de bloemen van de stengeltjes af te slopen, maar toen ik ze eenmaal in de grond had gezet was ik bijzonder trots: het is leuk om dingen te planten waar iets moois/iets eetbaars uit komt! Het blijkt verbazingwekkend gemakkelijk om eten te verbouwen; maïs heeft veel mest, water en zon nodig, en de peper-plantjes die we hebben verpot zien er bijzonder gezond uit! Tijdens het zaaien van wortels moest ik denken aan een boek van Alice Walker: In Search of Our Mother’s Gardens, dat ik had gebruikt voor mijn scriptie. Het boek is een soort ode aan vrouwen/moeders in de tuin: zo veranderde Walkers’ moeder hun armoedige, en te kleine huis tot iets moois en ‘rijks’ door voor het huis bloemen te planten. Walker geeft in het boek aan dat tuinieren iets vrouwelijks, of specifieker, iets moederlijks is; de essentie van alle moeders in de wereld is het creëren van nieuw leven; het zorgen voor schoonheid en het bieden van nieuwe kansen te midden van alle troep. Deze vergelijking deed me denken aan mijn eigen moeder: zolang als ik besta, werkt mijn moeder in de tuin op haar vrije dagen (mits het weer het toelaat natuurlijk). Het planten van bomen, struiken, bloemen; het opleuken van de vijver; mijn moeder maakt van een voormalige vuilstortplaats nog een Garden of Eden, en ik vond het ook altijd jammer dat ikzelf dit tuinier-gen niet leek te hebben. Maar niets bleek minder waar: nu ik de eerste groene sprietjes van mijn zelfgeplante maïs heb zien opkomen, en vandaag ook nog eens vol overgave onkruid heb gewied in de brandende Canadese zon, ben ik blij dat ik kan constateren dat ook ik, volgens de principes van Alice Walker, een vrouw ben…geen moeder -ik acht de kans klein dat ik dat ooit wil worden- maar in ieder geval een vrouw! Hoera!
Over een week is mijn tuinier-feest hier weer afgelopen. Wat er daarna zal gebeuren weet ik niet: ik hoop in ieder geval op een baan, want het geld raakt op. We zullen zien, misschien kan ik over een maand wel andere dingen die ik nu nog niet kan, zoals breien, tractor rijden, geiten melken, of zeep maken!