Te Paard!

Posted on
Toen ik een jaar of acht was ging ik op paardrijles. Een keer per week, het is me ontschoten welke dag, fietste ik samen met een vriendinnetje naar de manege in Nederhorst den Berg. Wanneer je vanaf het fietspad naar de manege toe fietste moest je eerst over een onverharde weg, wat vooral heel spannend was wanneer het had geregend: zo goed en zo kwaad als het ging probeerde je je fiets recht te houden terwijl je door knie-diepe gaten vol met modderig water scheurde. De weg was een duidelijke afscheiding tussen het geciviliseerde deel van het dorp en het boeren bestaan vol vuil en paardenhaar. Eenmaal aangekomen zat je versgewassen paardrijbroek compleet onder de bruine spetters en glommen je laarzen ook al niet meer zo mooi.
Paardrijles vond ik eigenlijk niet zo leuk; ik was vrij verlegen en de groep waarin ik reed bestond uit schreeuwerige jonge meisjes die natuurlijk veel luidruchtiger waren en veel beter wisten hoe je je teugels moest vasthouden dan ik. De paarden (of eigenlijk pony’s) vond ik wél leuk, en ik smeekte mijn vader dan ook of hij voor mij met de baas van de manege wilde onderhandelen zodat hij voor mij een ‘verzorgpony’ kon ritselen. En dat gebeurde ook: terwijl ik me met een rood hoofd verschool achter mijn vader, zorgde hij ervoor dat ik Yvonne  toegewezen kreeg. Yvonne was een zwarte pony zonder noemenswaardig karakter, en ik was dan ook een beetje teleurgesteld. Ik hoopte eigenlijk op een verzorgpony als Popeye: een opstandige shetlander waar ik een zwak voor had ontwikkeld omdat ik snapte hoe ik hem kon laten doen wat ik wilde: gewoon achter een merrie gaan rijden en de hitsige Popeye deed álles om in de buurt te blijven van de groep! Yvonne heb ik, geloof ik, anderhalve keer ‘verzorgd’: ik was er vrij snel achter dat paarden borstelen helemaal niet zo interessant is, en met de lessen was het toen eigenlijk ook snel gedaan.
Nu werk ik dus tussen de paarden en nu gebeurt er precies hetzelfde: terwijl ik me een week geleden nog voornam om ook te sparen voor een eigen paard, ben ik nu al weer van het idee afgestapt. Net als vroeger verbaas ik me het meest over de mensen die hier komen: iedere dag van de week komen ze hier hun paard borstelen en berijden. Nu is dat ook logisch, ze hebben tenslotte duizenden euro’s voor zo’n beest betaald, maar toch: heb je dan niets anders te doen? Moet je niet werken? Of schoenen kopen? Of een weekendje weg, ofzo? Heb je eigenlijk wel een sociaal leven? Dan komen ze dus hier, bij die stal, en dan ontmoeten ze andere mensen – heel leuk en gezellig – maar het enige waar ze over praten zijn de paarden, of paardrijlessen, of borstels, of hoe ze ooit hun paardrijbroek verkeerdom hebben aangetrokken. Nu nodig ik niet echt uit tot een gesprek, maar mijn reisgenootje, die af en toe op een paard rijdt en dus wat beter in de groep ligt, geeft ook aan dat de mensen hier nooit vragen waarom ze hier is, wat ze thuis gedaan heeft, of wat haar plannen zijn voor de komende tijd; het komt gewoonweg niet in ze op!
Er is één jongen, Dustin, die wel naar de rest van je interesses en plannen vraagt: hij heeft ook geen eigen paard, maar word ingehuurd om te rijden (wat een baan) en werkt verder in de mode-industrie. Hij is overigens ook de enige die niet in een Porche of enorme truck de parkeerplaats op komt rijden, maar gewoon een Volkswagen Golf (of iets van gelijke strekking) heeft.
Wat de paarden betreft: ze zijn groot. Soms vind ik ze zelfs eng: vooral als ze opstandig worden en ik bang ben om doodgetrapt te worden. Wanneer de paarden lief zijn besnuffelen ze je een beetje, en dan heb je zo’n grote neus in je gezicht, of in je haar, of wordt er tijdens het waterbakken wassen opeens aan je schouder gesabbeld. Ik heb één lievelingspaard, Loonie; een enorm beest uit Brazilië, die nu twee weken weg is (bummer). In de eerste instantie was ik bang voor hem, en hij haatte mij een beetje. Tot ik op een dag om een of andere onduidelijke reden in zijn stal moest zijn terwijl hij er in stond. Ik was zo snel als ik kon mijn plicht aan het uitvoeren, toen ik opeens zijn enorme hoofd op mijn hoofd voelde leunen…en daarna op mijn schouder. Sindsdien is alles koek en ei tussen ons en ben ik een fan!

Toch is Loonie de uitzondering: met een paard knuffelen voelt voor mij hetzelfde als knuffelen met mijn ouders’ honden Joep en Beppie. De euforie die ik voel wanneer Joep zijn neus in mijn gezicht duwt doet niet onder voor wanneer één van de paarden dit doet. Het maakt mij, merk ik nu, weinig uit met wat voor dier ik knuffel: of het nu een rat is, een hond, of een paard. Het verschil is alleen dat ik door Joep niet doodgetrapt kan worden, dat Joep geen 10 kilo poep op een dag produceert (alhoewel), en dat ik beter niet op Joep zijn rug kan gaan zitten.
Na drie weken bij een stal werken is de conclusie: ik moet later mijn heil niet zoeken in de paardenindustrie, maar het is wél een leuke vakantiebaan en goed voor de lijn! Lekker buiten werken (en verbranden), slepen met hooibalen (spierballen kweken) en kruiwagens (met mest) rondrijden is een welkome afwisseling na jaren ‘werken’ achter een computerscherm. Ik ben benieuwd wat mijn volgende baan wordt; misschien ga ik wel koeien melken, bessen plukken, of broccoli en paksoi verbouwen…we zullen zien!

“Hi! How are you?”

Posted on

“Why do you go away? So that you can come back. So that you can see the place you came from with new eyes and extra colors. And the people there see you differently, too. Coming back to where you started is not the same as never leaving.”
― Terry Pratchett

Het probleem van werken als een stalknecht op een paardenboerderij is dat ik 5 dagen per week werk van 06:30u ’s ochtends tot ongeveer 16:00u ’s middags. In de uren daarna moet ik douchen, boodschappen doen in Richmond, paarden checken om 18:00u, afwassen, koken en – eventueel na een potje ijshockey kijken- naar bed. Hier ga je overigens niet naar bed om 22:30u, zoals thuis, maar om 21:30u; na het checken van de paarden om 21:00u. Later je bed induiken is fysiek gewoon niet mogelijk: na een hele dag poep scheppen, hooibalen verslepen en paarden binnen en buiten zetten verlangt je lichaam nu eenmaal naar tenminste 9uur slaap. Zo’n actief schema schept helaas niet veel ruimte om dan ook nog eens een blog te typen: op de dagen dat je vrij bent slaap je uit en ga je naar Vancouver om, ik weet het niet, dingen te doen.
Toch merkte ik vandaag – toen ik een mailtje aan het typen was- dat ik heel veel wilde vertellen. Ook kreeg ik 3 keer deze week te horen dat mensen daadwerkelijk mijn blog willen lezen, maar dat er niets nieuws op staat. Mijn welgemeende excuses daarvoor. Zoals ik al zei valt er veel te vertellen; het zijn vooral fragmenten, en het is me vooralsnog onduidelijk hoe ik deze verschillende fragmenten in deze post moet verwerken, maar ik ga mijn best doen!
Laat ik beginnen met wat er nu, en eigenlijk altijd en in elke pub in Canada, op de televisie is: ijshockey. Vancouvers club zijn de Canucks; ze schijnen ontzettend goed te zijn, maar in alle wedstrijden die ik heb gezien (dat zijn er inmiddels 3) zijn ze de verliezende partij (misschien omdat ze steeds tegen de LA Kings moeten spelen). Ik snap niets van de regels en word gek van de commercial breaks; desondanks ben ik een groot fan van ijshockey en van de Canucks. De supporters zijn zeer aanstekelijk (zeker als ze in hordes door de straten van Vancouver banjeren) en ik vond, de avond van 15 april, mijzelf dan ook schreeuwend voor de tv in de pub terwijl ik tussendoor battered pickles at en Kilkenny bier dronk. Helaas had al dat geschreeuw weinig nut; als de Canucks de wedstrijd van vanavond verliezen, liggen ze er uit. Bummer
Misschien moet ik ook iets vertellen over waar ik nu ‘woon’: ik leef dus boven de stallen van Twin Oaks Farm, en deze boerderij staat in Richmond. Dit plaatsje is maar 25 minuten met de skytrain (soort metro) van Vancouver Downtown vandaan en is ontzettend deprimerend als het regent. Het stikt hier van de Aziaten; velen wonen in een soort woongemeenschappen en ze hebben ook hun eigen supermarkt. Als je naar Tim Horton’s (soort goedkope Starbucks) gaat, staan de producten ook vertaald onder de Engelse tekst. Het zal mij een worst wezen, maar mijn bazin, Wendy, is van Californië en heeft het niet zo op getint en Aziatisch, en probeert ons er dan ook regelmatig van te overtuigen dat de Aziaten eigenlijk zouden moeten kiezen wat ze willen zijn: Canadees of Chinees.
Verder is Richmond vooral heel family-friendly: veel mensen komen hier wonen om hun kinderen op te voeden; weg van de grote stad, maar niet te ver.
Wanneer de zon schijnt verandert Richmond volledig: je ziet de bergen aan de ene kant en wanneer je de rivier volgt kun je het begin van de oceaan en Vancouver Island zien. Soms merk ik dat ik even vergeet dat ik in Canada ben, maar als ik dan mijn kruiwagen met mest ga legen en achter de groene velden de bergen zie, dan ben ik toch weer zeer onder de indruk!
Vier kilometer hier vandaan ligt Steveston: een klein vissersplaatsje met leuke winkeltjes, pubs, eetcafé’s, en koffietentjes. Ze hebben een ‘boardwalk’ en kleine haventjes met kleine vissersbootjes waarvan de vissers ’s zomers verse vis verkopen en waar ze de beste Fish & Chips ooit hebben (heb ik me laten vertellen). Ook hebben ze een mini-museum over Steveston en haar geschiedenis als vissersplaatsje, en ze hebben een soort walk-through-openlucht- museum met oude houten gebouwen waar ze tot op de dag van vandaag de boten opknappen. De volgende keer dat ik een vrije dag heb en de zon schijnt neem ik de fiets naar Steveston om dat allemaal eens even te bekijken. Ik merkte wel gelijk dat ik ontzettend gelukkig word van havens en vissersplaatsjes, dus dat belooft nog wat voor wanneer ik naar Nova Scotia en New  Brunswick ga!
Van de zee naar ander natuurschoon: bergen. Vorige week ben ik naar Grouse Mountain geweest; dit is de berg waar ik op uitkijk en ligt eigenlijk boven Vancouver. Het was maar een uurtje reizen vanaf Richmond (eerst met de Skytrain en daarna met de Seabus, waarvan de ervaring wel heel erg overeen kwam met het nemen van het pontje over ’t Ij), en er lag ontzettend veel sneeuw. Ik ben helaas niet zo’n wintersport type; misschien omdat ik er niet mee ben opgegroeid, maar ik vond het wel knus: met z’n allen in zo’n bakje naar de sneeuw. Het uitzicht was fantastisch! Vanuit het bakje en vanaf de berg kijk je uit over Vancouver: Downtown lag zo mooi aan zee dat ik spontaan weer verliefd werd op de stad. Terwijl dit gebeurde stond ik in de sneeuw, met om me heen de bergen vol met dennebomen (precies als op een ansichtkaart).
Op de berg zijn we gaan snowshoeën: wandelen met speciale schoenen (vroeger met tennisrackets, nu iets ingewikkelder) die je vast moet maken met elastieken en riempjes. Het zal niemand verbazen dat ik niet kon omgaan met al die techneutische toestanden: mijn snowshoe riempjes gingen steeds los, mijn elastiek bungelde aan alle kanten en mijn geduld liet het vrij snel afweten. Ik eindigde dan ook met één snowshoe aan mijn voet en één in mijn hand en in de volle overtuiging dat ik nóóit meer zal gaan snowshoeën (LA Kings hebben net gescoord, jammer). Toch had ik het achteraf gezien wel leuk: het was lekker warm en het was best vermakelijk om steeds met één voet diep weg te zaken in een meter sneeuw.
Verder heb je in Canada ook mensen: ze zijn allemaal ontzettend aardig en behulpzaam. Toen ik een meneer met een hondje de weg vroeg naar de pub, keek hij me bezorgd aan en vroeg of ik wel zeker wist dat ik daar alleen heen ging (Freya was ergens om een hoekje verdwenen). Mijn collega’s zijn ook allemaal heel lief en nemen ons zonder problemen mee naar het station of mee uit eten. Maar soms word ik een beetje moe van dat aardige gedoe: het kost soms nogal wat tijd. Het is namelijk zo dat je niet gewoon “Hello” of “Good morning!” zegt in Canada, maar “Hi! How are you?” en daar moet je dan met “Good/Excellent/Wonderful/Splendid/Crap! How are you?” op reageren. Dit is niet erg als je iemand een beetje van gezicht kent, maar het wordt zo geforceerd als je zo’n gesprek om 11 uur ’s avonds moet voeren met de caissière van de Seven Eleven (een soort benzinepompwinkel zonder benzinepomp) terwijl je 3 donuts voor 2 dollar koopt. (Canucks hebben gescoord! Hoera!) Toch is het leuker dan in Nederland, waar je eigenlijk verbaasd bent wanneer de kassajuffrouw uitgebreider tegen je praat dan een simpel “Goedemiddag”.
Ik ben hier nu ruim een maand en ik heb al allerlei herinneringen aan Vancouver, waardoor het voelt alsof ik hier veel langer zit. Dit is al mijn 3e week op mijn werk, en ook hier voelt het alsof ik er al tijden ben. Natuurlijk mis ik Nederland: op sommige dagen vraag ik me af wat ik hier doe en wil ik naar de kroeg in Nederland, met mijn vrienden en collega’s, of met mijn moeder en stiefvader films kijken op de bank terwijl we popcorn eten en de honden Joep en Bep om me heen dartelen. (Canucks scoren weer! Helden!) Ik mis ook fatsoenlijke kaas, pannenkoekenstroop, hagelslag en boodschappen doen zonder de extra tax die er nog bij komt bij de kassa. Verbazingwekkend genoeg mis ik het volgen van colleges ook nog steeds: ik mis het lezen (hoewel ik nu wel een héél leuk boek aan het lezen ben: The Boat Who Wouldn’t Float) en mijn veilige literaire bubbel waar ik, kom ik nu achter, door mijn vrienden, studiegenoten en collega’s middenin zat. Verder mis ik het fietsen echt enorm! Hier heb ik ook een fiets tot mijn beschikking, maar dat is toch heel anders.
Ondanks de kleine vlagen van heimwee merk ik dat dit heel goed voor me is: fysiek hard werken, niets moeten en geen plan hebben bevalt me voor nu prima! Het perspectief is opeens heel anders: ik hoef helemaal niet te bepalen wat ik later wil gaan doen. Wat ik wil worden, of ik kinderen wil, waarom ik nog geen vriend heb, of ik misschien ergens een huisje voor mezelf moet gaan huren of kopen, en of het raar is dat ik 27 ben en dat ik nog steeds geen vastigheid heb op welk gebied dan ook: het is allemaal compleet irrelevant. Ik heb geen groot plan: ik heb nooit een duidelijk plan gehad en dat heeft me vaak het gevoel gegeven dat ik laat of langzamer was in alles..maar kijk waar ik nu zit: in een mooi huisje in Richmond, boven springpaarden van 20.000 dollar, met uitzicht op de bergen van Vancouver, een beetje geld op de bank en een lonely planet in mijn tas! Ik had het me nooit van tevoren kunnen bedenken, maar ik ben precies op de juiste plek, op het juiste moment, in de juiste situatie…Lucky me!
Ik zal proberen om wat meer regelmaat aan te brengen in mijn blog-posts. Voor nu is het de hoogste tijd om de paarden te checken en naar bed te gaan. De Canucks hebben gewonnen!


“Male Fantasies”

Posted on
Male fantasies, male fantasies, is everything run by male fantasies? Up on a pedestal or down on your knees, it’s all a male fantasy: that you’re strong enough to take what they dish out, or else too weak to do anything about it. Even pretending you aren’t catering to male fantasies is a male fantasy: pretending you’re unseen, pretending you have a life of your own, that you can wash your feet and comb your hair unconscious of the ever-present watcher peering through the keyhole, peering through the keyhole in your own head, if nowhere else. You are a woman with a man inside watching a woman. You are your own voyeur.
– Margaret Atwood